Historie Mûnein

Historie Readtsjerk

Oude verhalen uit het Mounehoekje

De vlasindustrie in Molenend

De Siamese tweeling van Molenend

Dorpsbelangen Molenend/Roodkerk

Baron van Welderen Rengers

Het bewerken van vlas

 

 

Mûnein

 

Mûnein is een dorpje met een kleine 700 inwoners, het bestond in 1998 vijftig jaar als zelfstandig dorp, daarvoor was het een deel van Oenkerk. Op 21 augustus 1948 wordt er door de toenmalige secretaris van de vereniging van Dorpsbelangen, dhr. K.G. de Vries namens het bestuur een aanvraag ingediend om toch van Molenend een zelfstandig dorp te maken.
B&W van Tietsjerksteradeel willen dit verzoek wel inwilligen, omdat Molenend een eigen, tamelijk groot centrum heeft, verder een school, café, diverse verenigingen rijk is en daarom er geen enkele reden is om dit verzoek niet in te willigen. Toch wel een unieke situatie omdat het in Friesland wet was dat het dorpsrecht werd geschonken aan dorpen die een kerk bezaten en dat gebouw moet Mûnein ontberen.
Ook de gemeenteraad gaat hiermee akkoord op 8 oktober 1948. Inmiddels is ook uitgezocht dat er geen historische namen rond het dorp zijn, waarvan de naam aan het nieuwe dorp Molenend gegeven kan worden. Ook wordt er opgemerkt dat de bevolking van het dorp zich de naam van het dorp niet licht zal laten ontnemen. Wel wordt geadviseerd dat het wellicht nodig zal zijn om steeds te schrijven, Molenend (Frl.) of (bij Oenkerk), want er zijn in Nederland 14 buurtschappen of gehuchten die Moleneind heten, waarvan twaalf in Noord Brabant, één in Gelderland en één in Noord Holland. Ook is er in Drachten een buurt die Moleneind heet.
Vervolgens wordt er bericht gestuurd naar het College van Gedeputeerde Staten van Friesland, van waar ook het groene licht word ontvangen.
De verordening wordt afgekondigd op 3 november 1948, en treedt vanaf die dag in werking.
Bij een zelfstandig dorp hoort ook een vlag en een wapen.

 

Het wapen van Molenend ziet er als volgt uit: In een groen vlak staat een stellingmolen van zilver, waarvan de wieken geplaatst zijn als een andreaskruis.
De vlag van Molenend geeft door zijn vlakverdeling de beweging der wieken weer, daartoe is de vlag gegeerd in acht stukken van groen en wit.
De geschiedenis van ons dorp gaat veel verder terug, al in 1611 stond er in ons dorp een molen, waaraan ons dorp ook de naam heeft ontleend.
Dorpsbelangen Molenend/ Roodkerk is opgericht op 17 april 1926. In 1941 trad Roodkerk toe tot de vereniging, zodat vanaf toen de naam "Vereniging voor Dorpsbelangen Molenend/Roodkerk" werd gevoerd.
Op 6 mei 1898 werd er bij de gemeente Tietsjerksteradeel een aanvraag ingediend om een fabriek te vestigen in de buurt van de Zwarte Broek, een meertje nabij Molenend. Dit werd positief ontvangen en dus kon men beginnen met bouwen. Op 16 juli van hetzelfde jaar worden de statuten goedgekeurd. Zo werd in Molenend de eerste fabriek van de "N.V. Friesche Maatschappij van Vlasindustrie" opgericht. De naam kwam in contrastkleurige dakpannen op het dak van de fabriek te staan, en ook op de voorgevel, waar hij nu nog te zien is.
De fabriek kwam dus bij de Zwarte Broek. Dit was namelijk van belang voor de roterij i.v.m. het doorgaande water.
De opening vond plaats op 24 november 1898; directeur werd de heer J.J. Westra. Alles was tot in de finesses goed doordacht. Zelfs aan de hygiëne was de grootste zorg besteed, zo goed als men bij zulk werk kon verwachten. Maar het ging steeds slechter met de vlasindustrie, met als gevolg dat de fabriek op 24 april 1967 werd gesloten.
Dit betekende het einde van de industrie in Mûnein, maar de gerestaureerde schoorsteen en het beeld van Gosse Dam dat sinds 1990 op het pleintje bij de klok in het hartje van Mûnein staat houden de herinnering levendig.
Tegenwoordig bloeit het dorp als nooit tevoren.
Daarvan getuigen een dorpseigen uitbreiding zonder witte schimmel en dergelijke. Nee, een bij het dorp passend uitbreiding, kleinschalig en landelijk van opzet, terecht werd hiervoor een prijs ontvangen in het kader van de provinciale prijsvraag " Kwaliteit vanuit de Kern"
Ook is het dorp verfraaid door middel van een nieuwe bestrating met gebakken materialen, waardoor het karakteristieke dorpsbeeld bleef bestaan.
Het dorp kwam in de vijftiger jaren internationaal in het nieuws door de geboorte van de Siamese tweeling Folkje en Tjitske de Vries.
Uiteraard kreeg het dorp wederom landelijke bekendheid door een uitzending van Gewest Tot Gewest, waarin het monument aan de Halligen nader werd belicht. Dit monument gemaakt door Jan Faber vormt gezamenlijk de landen Noorwegen, Finland en Zweden. Dit is Scandinavië ten voeten uit. De stenen die allemaal in het stroomgebied van de Bouwe Pet zijn verzameld door Faber zelf, zijn allemaal op hun oorspronkelijke plek in het land van herkomst neergelegd. De opening van dit monument betekende tevens de afsluiting van de Ruilverkaveling.


terug naar boven

 

Readtsjerk

Een dorpje in de Gemeente Dantumadeel met ongeveer 220 inwoners.
Zoals de titel van een boek, geschreven door Aukje Wijbenga, het zo treffend verwoordt " In doarp op it Fuottenein" .
Met deze titel is het dorpje ten voeten uit geschetst. Het hoort als dorp geheel bij de Trynwâlden, maar de inwoners zijn gemeentelijk aangewezen op Dantumadeel. Kerkelijk vormen de Hervormde gemeente van Roodkerk en Aldtsjerk ook een geheel.
Een dorp wat gekenmerkt wordt door het ontbreken van buorren, ook de middenstand en de school behoren tot het verleden.
Een kerk heeft Roodkerk nog steeds, al is het wel moeilijk om deze te behouden, daar restauratie een boel geld kost.
De kerk moet in de 12e eeuw gebouwd zijn, dit is de conclusie uit het formaat van de tufstenen die in de noordelijke muur gebruikt zijn. De zuidelijke muur moet ergens in de 19e eeuw opnieuw opgemetseld zijn.
Het is een prachtig kerkje met een spitse toren. Dat is niet altijd zo geweest getuige het wapen van Roodkerk waarop duidelijk te zien is dat er een zadeldaktoren op heeft gezeten.
Vroeger bestond de bevolking van Roodkerk uit boeren en natuurlijk de boerenarbeiders.
Ook was er een bakker, een timmerman en wat kleine winkeltjes maar daar is heden tendage niets meer van over.

 terug naar boven

 

Oude verhalen uit het Mounehoekje
Door G. Bijert-Staal

Hoe je altijd kunt winnen

Mûnein heeft een bloeiende damclub. Elke dinsdagavond wordt er voor de competitie onderling gedamd. Dat is dan meestal voor in het café aan tafeltjes rondom het biljart, maar als er een damwedstrijd is tegen een andere club dan gebeurt dat in de zaal omdat daar wat meer ruimte is. M. is ook lid van de club. Hij is een niet al te sterke en wat magere man. Hij brengt altijd wel wat leven in de club. Als hij 's avonds komt gaat daar altijd een soort ritueel aan vooraf. Dan gaat de buitendeur heel voorzichtig open en dan weer dicht en soms twee keer. Iedereen roept dan, kom er maar in want we weten toch wel dat het M. is. En dan komt hij binnen. Hij is een wat grillige dammer, die meestal het eerst uit is, gewonnen of verloren. En dan wil hij altijd nog een partij en dan liefst tegen de cafébaas zelf. Maar deze kan nooit van hem verliezen, wat M. niet weet en daarom wil hij het altijd maar weer proberen. Niet dat de baas zelf zo'n goede dammer is, maar deze heeft zo zijn eigen trucjes. Hij moet er nog wel eens even bij weg, om een consumptie in te schenken en dan neemt hij een paar damstenen van een andere tafel mee en die zet hij er weer bij op zodra M. niet kijkt. Zijn aantal damstenen mindert nooit en daar merkt M. niets van.
En zo wint de baas altijd van M.

 

 

Streaking

Aan het eind van de damcompetitie hebben de leden nog een gezellige avond met wat borreltjes, biertjes en borrelhapjes en dan wordt er nog gedamd. De beste van de club tegen de rest. Na afloop blijven ze dan nog gezellig wat napraten. En dan komt het gesprek op streaking. Dat is uit Amerika overgewaaid en het betekent dat men naakt heel hard over de straat loopt. Zo komen ze op het idee. Ze vragen M. of hij wel naakt om het biljard lopen wil. Hij hoeft het natuurlijk niet voor niets te doen. Eerst wordt er één gulden per persoon geboden als M. het wil doen. Maar M. wil het voor dat geld niet doen. Op het laatst bieden ze hem een rijksdaalder. Voordat M. het misschien wil doen springt de kroegbaas voor hem in de bres en zegt dat hij het maar niet moet doen. Er komen anders rare praatjes over het café in het dorp zegt hij. M. moet de kleren maar aanhouden want als je zo mager bent is gevaarlijk, hij zou zo uit elkaar kunnen vallen. Maar M. is in een dolle bui en hoe het komt weet ik niet maar op een gegeven moment zit vader J. hem achterna om het biljart en springt M. via een stoel bovenop de bar. De baas vindt dit niet leuk en zegt dat M. er gauw af moet komen. Hij springt pardoes naar beneden en verstuikt zijn enkel. Hij heeft een week met zijn voet op de stoel moeten zitten. Zijn vrouw heeft nooit begrepen hoe dat gekomen is. Zo kun je met een rustige denksport als dammen en door alleen maar over streaking te praten toch nog geblesseerd raken!

 

De bril.

De damclub heeft een wedstrijd thuis. Deze wordt in verband met de ruimte in de zaal gespeeld. J. en zoon J. zijn ook van de partij. Niemand valt het eigenlijk op maar vader J. heeft een brillenkoker bij zich en zet als hij de partij begint een leesbril op, haalt een aantekenboekje uit zijn zak en ook nog een vulpen. Zo begint hij aan zijn partij. Verder niets bijzonders zou men zo zeggen. Tegen het einde van de avond zijn de eersten met hun partij al uitgespeeld. Zo ook T. van bord één. T. loopt wat achter de andere partijen langs en kijkt hoe ze er voor staan. Als hij achter J. staat valt hem op dat J. geen glazen in de bril heeft. Vol verbazing steekt hij van achteren naar voren zijn vinger door de bril en zegt; waarom heb jij een bril zonder glazen op?? En iedereen moet er hard om lachen. J. vertrekt geen spier en zegt; dat zal ik je vanavond wel uitleggen als we naar huis gaan. Toen de tegenpartij was vertrokken vertelde J. het waarom. Hij zei; als je heel gewichtig doet en je zet eerst je bril op en je legt dan een boekje op tafel met een vulpen, dan heb je je tegenstander al half verslagen want dan denkt hij; dat is een beste dammer!

terug naar boven

 

  De vlasindustrie in Molenend

 

In de 19de eeuw gebeurde het bewerken van vlas in de zogenoemde braakhokken.

Veel boerenarbeiders hadden hier een kleine bijverdienste in de slappe wintermaanden. Er moest hard gewerkt worden om ƒ5, - à ƒ9, - per week te verdienen, hiervoor werden dan wel werkdagen gemaakt van 5 uur ‘s morgens tot ‘s avonds laat. Het was zeer stoffig werk, waardoor de deur vaak op een kier werd gezet (tocht). Door het stof en de tocht kwam er veel ziekte voor onder de werknemers (veel longaandoeningen etc.). Dit werd ook nog eens in de hand gewerkt door de lange werkdagen en de eenzijdige voeding.

In Friesland waren er in het oogstjaar 1907 2836 braakhokken waaronder 5 grotere die door enkele gemeentebesturen waren opgezet om de armoede te bestrijden.

 

Hoe kwam er nu een vlasindustrie in Molenend tot stand ?

Welnu, dit was geheel en alleen te danken aan Theodorus Marius Theresius van Welderen Baron Rengers, die bewoner werd van Heemstra State in 1895. Hij was lid van de commissie ”Door Arbeid tot Verbetering”, opgericht door Rengers vader, Wilco Julius en Mr. Andreae, notaris te Kollum. De notaris had een boek geschreven met de naam ” Te Wapen, Te Wapen”. Hierin kwam een gedeelte voor over de Friese vlasindustrie dat veel indruk op de baron maakte. Tussen 1860 en 1880 had de vlasindustrie namelijk enorm gebloeid in Friesland, maar doordat de Belgen een betere wijze van vlasbereiding hadden gevonden werd in het oogstjaar 1887 ruim 95% van de Nederlandse vlasproductie uitgevoerd.

Baron Rengers verdiepte zich verder in de materie en ging in 1897 zelf naar Kortrijk in België, vergezeld van de jonge vlasdeskundige J.J. Westra uit Kimswerd. Ze bezochten daar aan het riviertje de Lije een warmwaterroterij met kunstmatige drogerij. Zij brachten rapport uit in een vergadering van de vereniging “Door Arbeid tot Verbetering” en er werd besloten om een commissie op te richten.

Het ging baron Rengers echter niet snel genoeg, dus besloot de baron het zelf te doen.

Door zijn overredingskracht lukte het de baron om een aandelenkapitaal van f 100.000 bij elkaar te krijgen.

 

Op 6 mei 1898 werd er bij de gemeente Tietsjerksteradeel een aanvraag ingediend om een fabriek te vestigen in de buurt van de Zwarte Broek, een meertje nabij Molenend. Dit werd positief ontvangen en dus kon men beginnen met bouwen. Op 16 juli van hetzelfde jaar worden de statuten goedgekeurd. Zo werd in Molenend de eerste fabriek van de ”N.V. Friesche Maatschappij van Vlasindustrie” opgericht. De naam kwam in contrastkleurige dakpannen op het dak van de fabriek te staan, en ook op de voorge­vel, waar hij nu nog te zien is.

De fabriek kwam dus bij de Zwarte Broek. Dit was namelijk van belang voor de roterij i.v.m. het doorgaande water, en dat in hoedanigheid zoveel mogelijk overeenkwam met het water van de Lije in België.

 

De opening vond plaats op 24 november 1898; directeur werd de heer J.J. Westra. Alles was tot in de finesses goed doordacht. Zelfs aan de hygiëne was de grootste zorg besteed, zo goed als men bij zulk werk kon verwachten.

Kinderziekten bleven het bedrijf niet bespaard; het ging namelijk de eerste jaren zeer moeizaam.

Pas in 1910 kon het eerste dividend van 5% uitgekeerd worden aan de aandeelhouders. Tot die tijd had de baron steeds bij moeten passen, nou ja gemoeten, hij deed het in ieder geval. Hij wilde namelijk zijn verplichtingen tegenover het fabriekspersoneel en de aandeelhouders nakomen.

De zaken gingen daarna dermate goed, zodat werd besloten om er een fabriek bij te bouwen. Dit gebeurde in Noordbergum, vlakbij het water van de Zwemmer.

In de Eerste Wereldoorlog floreerde het bedrijf enorm, doordat België betrokken werd in de oorlog. De aandeelhouders kregen de schade van de eerste jaren dubbel en dwars terug, dividenden van 30 tot 50%. In 1920 was er een reserve van 3 ton. Maar het ging slechter en baron Rengers paste weer bij. Tot 1929. Toen kwam hij zo krap bij kas te zitten, dat hij Heemstra State moest verkopen en verhuisde naar Den Haag. Ook werd toen de fabriek in Noordbergum gesloten.

In de vijftiger jaren was men ,ondanks de opkomst van de kunstvezels, nog optimistisch over het voortbestaan van de fabriek gezien de uitbreiding van de fabriek in 1955 en de diverse veranderingen aan de warmwaterrootbakken. Om toch zoveel mogelijk geld uit te sparen werd er, niet tot vreugde van de inwoners van Molenend, gestookt met oude autobanden. Het huis van de machinist stond op het fabrieksterrein; eerst werd dit bewoond door G. van der Beek, later werd dit door zijn zoon Tj. van der Beek bewoond, tot 1961 toen dhr. Sonneveld er kwam wonen. Nu woont de fam. Reehorst er.

Een jaar na het overlijden van de directeur Westra (22 oktober 1955) is de fabriek verkocht aan dhr. Huisman, die samen met zijn beide broers in ‘s Gravendeel een vlasfabriek hadden. Als gevolg van de Russische dumping van vlaslinnen werd de fabriek op 1 augustus 1958 een poos stopgezet, daarbij werd aan 17 mensen ontslag aangezegd. Na 1960 werd de fabriek door de gebr. Huisman aan J. Sonneveld verkocht. Maar het ging steeds slechter, met als gevolg dat de fabriek op 24 april 1967 werd gesloten.

 

Het niet te onderschatten nut van de gehele vlasindustrie is uiteindelijk geweest, dat het een overbruggingsfunctie heeft gehad gedurende de tijd dat armoede algemeen was, tot de jaren ‘50 toen de sociale wetgeving voor ieder een waardig bestaan garandeerde.

 

In mei 1967 kocht slager Dijkstra van Damwoude het geheel om er een varkens- en kalvermesterij te beginnen. Maar helaas, hij kreeg geen toestemming van de gemeente.

Later is nog geprobeerd om er een camping te beginnen, maar ook dit mislukte.

Daarna werd het verkocht aan Feenstra, die in en rond de fabriek de spullen van zijn loon-en grondbedrijf opsloeg, vandaar de hoge aarden wal op het fabrieksterrein.

Feenstra verkocht het geheel aan de familie Klarenbeek, Die verbouwde het fabrieksgebouw tot een pracht van een woonruimte en vond er tevens plaats voor zijn bouwmaterialen.

In 2005 verkocht Klarenbeek het pand. Op dit moment is er een Thomashuis gevestigd. Een Thomashuis is een kleinschalige woonvoorziening voor zes à acht mensen met een verstandelijke beperking. Het huis wordt geleid door Frank en Arjanne Eerenvelt. Zij zijn eindverantwoordelijk voor de zorg en ondersteuning aan hun klanten. Het pand is daartoe ingrijpend verbouwd en geschikt gemaakt voor bewoning door meerdere beoners in gezinsverband.

De pijp van de fabriek is in  1920 opgeleverd door de fa. Cannoy Hefkens in samenwerking met B.R. de Jong uit Oenkerk; de bouwtijd bedroeg 5 tot 6 weken. Deze stenen pijp moest de oude stalen schoorsteen van 15 meter hoog vervangen. In verband met minder brandgevaar werden de schoorstenen later allemaal van steen gebouwd.

De pijp werd gebouwd voor de prijs van f 2.741. In de beginjaren was hij 27 meter hoog en voorzien van een prachtige ring om het bovenstuk. Tevens werd toen het ketelhuis verbouwd.

In die tijd werden de meeste schoorstenen gebouwd door de fa. Cannoy Hefkens uit Tegelen, die twee steenfabrieken in eigendom had, n.l. de Drie Kroontjes en ‘T Ven en door de fa. De Ridder, die in Oegstgeest een steenfabriek had. Ze bouwden elk ca. 2500 schoorstenen in hun actieve periode. Hun “handtekeningen” zetten de beide firma’s door in de onderste rand van de schoorsteen een steen te metselen met het fabriekslogo. Cannoy Hefkens gebruikte hiervoor een afbeelding met drie kroontjes of gewoon de letters CH; tevens gebruikten ze een steenbreedte van 16 cm. De firma de Ridder gebruikte een steenbreedte van 19 cm en een “handtekening” in de vorm van een naam of een R. De beide firma’s zijn inmiddels ter ziele.

 

De pijp is tussen 1948 en 1950 gerestaureerd door een firma uit Poeldijk. Hij werd toen ingekort tot  26 ½ m. en tevens voorzien van stalen trekbanden.

Het meeste werk (restauraties, schoorsteenbouw e.d). wordt door Harm Meijer uit Ten Boer gedaan. In 1994 heeft deze firma de pijp gerestaureerd.

De pijp werd toen onder meer voorzien van stalen trekbanden. Het inwendige metselwerk was aangetast  door zwavelhoudende rookgassen uit het verleden, door vocht (regen, condens) ontstaat dan zwavelzuur, die het cement doet vergipsen. Dit proces was zover gevorderd dat er op een tiental plaatsen naar buiten kon worden gekeken, mede door roestvorming van de ingemetselde binnenklimijzers. Na het schoonmaken zijn de voegen weer vol gevoegd.

Daarna is het metselwerk onder hoge druk gereinigd en het buitenvoegwerk weer hersteld. Ook zijn er aan de buitenkant nieuwe klimijzers aangebracht, zodat de pijp er weer voor langere tijd tegen kan.

 

terug naar boven

 

 

De Siamese tweeling van Molenend

Hoe een Fries dorpje wereldnieuws werd

 

Zaterdag 7 november 1953. Het is koud en miezerig weer in het kleine Friese dorp Molenend. In een kleine arbeiderswoning maken vader en moeder de Vries zich op voor een welverdiende nachtrust na een week hard werken. De schare kleine kinderen ligt al in bed maar de hoogzwangere vrouw de Vries wil nog even naar het populaire KRO-radioprogramma “Negen heit de klok” luisteren.

 

Nu, ruim 45 jaar later zegt ze: “Ik had me er op verheugd maar ik haalde het niet meer. Mijn vruchtwater brak en ik kreeg vreselijke pijnen. Mijn man is naar buiten gerend  en razendsnel naar dokter Wijthoff gefietst. Telefoon hadden we nog niet”.

 

Dorpsarts Wijthoff woont een paar kilometer verderop in het statige Frisiastaete.

“Mijn man deed alle  bevallingen op het dorp dus ook die van mevrouw de Vries. Ze had al zes kinderen gehad en beviel altijd makkelijk. Maar dit keer was het anders. Nu had ze een hele dikke buik. Hij dacht aan een tweeling maar hoorde nooit twee hartjes. Hij heeft nog een collega geraadpleegd om te vragen of hij misschien iets bijzonders hoorde, maar nee”.

 

De echografie en andere  moderne technieken van de hedendaagse gynaecoloog  behoorden in de jaren vijftig nog niet tot het dagelijkse instrumentarium. Dokter Wijthoff moest alles nog met de oren en handen beoordelen. Hij heeft weliswaar een grote passie voor de verloskunde, is opgeleid in het Emmakinderziekenhuis in Den Haag en heeft al honderden zwangerschappen en bevallingen begeleid maar dit keer staat hij toch voor een raadsel.

 

De bevalling wordt een hels karwei. Voor vrouw de Vries, voor de baakster maar vooral ook voor dokter Wijthoff. Na de geboorte van het eerste meisje, dat terstond huilde, bleek dat ze van de navel tot aan de borstkas vast zat aan iets dat nog in de baarmoeder moest zitten. Het uitwendig onderzoek doet een tweede kind vermoeden.

 

Doktersvrouw Wijthoff weet nog wat haar man haar daar over vertelde: “Er brak min of meer paniek uit. De baakster had het niet meer. Eerst dachten ze dat het kind nog vast zat aan de placenta. Na veel gegoochel heeft hij het voor elkaar gekregen en de tweede baby verlost”. Ook dit was een meisje en ook zij schreeuwde al snel. Tjitske en Folkje waren dankzij het vakmanschap van dokter Wijthoff  gezond geboren. Alleen, zij waren met een groot deel van de buiken aan elkaar gegroeid. Mevrouw de Vries had een Siamese tweeling gebaard.

 

Een paar huizen verderop woont de plaatselijke politieagent, de enige op het dorp die over een telefoon beschikt. Dokter Wijthoff maant hem  een auto te regelen voor het vervoer van de baby’s naar het dichtsbijzijnde ziekenhuis.

 

Mevrouw Wijthoff in “Andere Tijden”: “er lagen vijf kinderen te slapen, en ze wisten zich met de baby’s geen raad, ze wisten niet hoe ze de kleintjes in de kleren moesten krijgen, hoe ze ze een luier aan moesten doen. Mijn man  had direkt door: hier wordt het niks”.

 

Direkt daarna belt Wijthoff de gynaecoloog van het Diakonessenziekenhuis in Leeuwarden. Die neemt wat slaperig de telefoon aan en mompelt ”Stuur maar”, zich niet precies realiserend dat hij een paar uur later een Siamese tweeling tot zijn patienten kan rekenen. Een ziekenauto kent Molenend niet. Taxi-chauffeur Fennema komt voorrijden met een krakkemikkige auto  en schuift moeder en baby’s op een geimproviseerde brancard de auto in. Vol verbazing bekijkt hij de twee baby’s en rijdt ze voorzichtig naar Leeuwarden.

 

Dokter Wijthoff keert terug naar de dokterswoning. Zijn vrouw treft een bezorgde man: “ Ik zag direct dat er iets was. Ik vroeg hem is de vrouw dood, is het kind dood? Nee, zei die, het is verschrikkelijk, het is een Siamese tweeling. Ik dacht gelijk leuk, ik zag er direct nieuws in”.

Ook in het ziekenhuis was inmiddels iedereen in rep en roer. Professor Hoedemaker, de gynaecoloog sprak zijn  bezorgdheid tegen moeder de Vries uit. “Professor Hoedemaker zei tegen me dat de pers er achter zou komen. En dat was ook zo. Het bericht ging de hele wereld over. De ziekenhuispredikant, dominee Mak, de vader van de schrijver Geert Mak, kwam aan mijn bed. Ik zei hem dat ik een tweeling had gekregen die aan elkaar zat. Hij zei direct: "dus u bent die moeder”.

 

Vanuit alle werelddelen stroomde de pers naar Leeuwarden in de hoop een glimp op te vangen van de tweeling. Wijthoff had zijn voorzorgsmaatregelen al genomen. Hij maakte direct na de geboorte foto’s van de Siamese tweeling, bracht ze naar de plaatselijke fotograaf en zei volgens mevrouw Wijthoff tegen hem: “Hier kun je heel rijk mee worden, je mag ze ontwikkelen maar nooit aan iemand laten zien want de ouders, die gereformeerd waren, zouden het vreselijk vinden als hun kinderen bloot in de krant zouden komen te staan. Hij heeft zich aan zijn woord gehouden, de foto’s zijn nooit vertoond’.

 

De belangrijkste beslissing moest nog genomen worden. Wat moest er met de tweeling gebeuren? Gynaecologen, kinderartsen, neurologen, iedereen bemoeide zich er mee. Een scheidingsoperatie zou een hachelijke onderneming worden. De medische literatuur bood slechts sombere berichten. Wijthoff ploeterde met zijn verantwoordelijkheid:

 

“Mijn man vond het een moeilijke beslissing. De ouders konden geen beslissing nemen. In het begin was het belangrijkste dat de kinderen moesten overleven. Hij vond dat ze eerst sterk genoeg moesten zijn en dat er dan pas over een scheiding gesproken kon worden. Veel kennis over scheidingsoperaties was er niet. Wat men vroeger wist was dat er vaak één van de tweeling dood ging na een ingreep. Dat is een eng gevoel. Toen is er kontakt gekomen met dokter Aird, een Engelse arts die kort daarvoor zelf een Siamese tweeling had gescheiden. Met gedeeltelijk succes, één kindje stierf. Hij is overgekomen naar Nederland en ze hebben veel overlegd. In de wetenschap dat de kans groot zou zijn dat ook deze operatie niet helemaal zou slagen is hij naar de familie de Vries gegaan. Samen kwamen ze tot de conclusie dat de kinderen op een dergelijke manier in leven laten ook een onmogelijke toestand was”.

 

In het ziekenhuis wordt door een team van artsen zorgvuldig onderzocht in hoeverre Tjitske en Folkje na een operatieve scheiding nog levensvatbaar zijn en wat voor problemen er kunnen ontstaan bij een chirurgische ingreep. De resultaten zijn hoopgevend. De meisjes groeien flink en ze blijken over eigen harten, longen en andere vitale organen te beschikken. Voor de essentiele lichaamsfuncties waren ze niet afhankelijk van elkaar. Anesthesist  Crul herinnert zich nog een aantal onzekerheden: “Onzeker was of de levers die met een brug met elkaar verbonden waren los van elkaar konden funktioneren. En men voorzag nog een tweede probleem. De buikingewanden van de ene baby zaten voor een deel in de buik van de ander.

Die moesten overgebracht worden. Zouden die ingewanden wel passen en zouden de longen dan niet in de knel komen?”

 

Honderd procent zekerheid kunnen de ziekenhuisartsen niet bieden maar als het aan hen ligt kan de operatie beginnen.

Dat dokter Wijthoff nog twijfelt blijkt uit een brief die zijn zoon jaren later vond:

“Als ze met z’n tweeën levensvatbaar zijn mag je dan één kind opofferen om de ander een leven te geven. Is dit leven ondraaglijker dan het leven van iemand zonder handen of voeten? En als er een kind sterft ligt dan bij mij niet in eerste instantie de verantwoordelijkheid omdat ik ze naar Leeuwarden stuurde en niet naar een Academisch Ziekenhuis in Groningen of  Amsterdam of zelfs naar Londen?”

 

Zaterdag 12 juni, ruim zeven maanden na de geboorte, is het zover. De operatiekamer is klaargemaakt, een team van 7 artsen en vele verpleegkundigen wast de handen. Een filmploeg van het Nederlands Universitair Instituut voor de productie van wetenschappelijke films  neemt de cameraposities in. Zij zullen de hele operatie vastleggen. In een hoek van de operatiekamer is een tribune gebouwd waarop een geselecteerd gezelschap plaatsneemt om de unieke operatie te aanschouwen. Buiten wacht een meute journalisten op de eerste berichten. Eén van hen wurmt zich door een wc-raampje van het ziekenhuis, rukt een witte doktersjas van een haakje en spoedt zich naar de operatiekamer. Nog net op tijd wordt hij ontmaskerd en weer buiten gezet. “De inleiding was spannend. Niemand kon ons vertellen hoe het zou gaan. Hoe diep de sprong was besefte je pas later. Er waren twee anesthesisten. Dokter Swijgman en ik. We hadden elk een meisje. Ze lagen samen op een operatietafel. Eerst moest er een spierverslapper gegeven worden maar dat kon maar bij één van de twee. Als je het ze alle twee tegelijk zou geven zou het te veel worden. Het moest nu van het ene meisje naar het andere doorvloeien. Ze kregen een narcose met ether, heel ouderwets en eigenlijk gevaarlijk. Dat moest omdat we geen toegangsweg tot de bloedvaten hadden. Daarna moesten we intuberen, niet tegelijk maar achter elkaar. Ze lagen met de hoofdjes naar elkaar toe dus alle twee tegelijk ging niet,je kon er niet bij”.

 

Na een kwartier zijn de kinderen gescheiden en krijgen beiden een eigen operatietafel waar aparte teams de wonden dichten. Niet lang daarna ontwaken de meisjes uit de narcose en zoeken ze naar elkaars handjes zoals ze dat al die maanden deden. Dit keer zonder resultaat. Als ze ook nog in aparte bedjes worden gelegd zetten ze een keel op. De verpleegsters leggen ze maar weer bij elkaar.

 

De medische wereld spreekt zijn lof uit over het artsenteam van het Provinciale Diakonessenziekenhuis. Zij zullen herinnerd worden als de artsen die één van de allereerste geslaagde scheidingen van een Siamese tweeling in de wereldgeschiedenis volbrachten.

 

Tjitske en Folkje worden nog jarenlang achtervolgd door de pers maar vader de Vries waakt streng over hen. Slechts één keer in het jaar mag er een foto gemaakt worden. Om te tonen dat het zo goed gaat.

 

BRONNEN:

- Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Jaargang 99. No.48. Zaterdag 26 november 1955

- Nederlands Universitair Instituut voor de productie van wetenschappelijke films (“Universitaire films”) Utrecht.  Rechten bij het NAA.

- ”In verband met het Diakonessenhuis”.  H.W. Keikes, 1980.

 

 terug naar boven

  

 

Dorpsbelangen Molenend/ Roodkerk opgericht 17 april 1926.

 

Nadat de heer P. Sinnema (hoofd der school) het nut had bepleit om tot een vereniging van Dorpsbe­langen te komen werd besloten om zo’n vereniging op te richten. Al de toen aanwezigen, te weten veertien personen, traden toe als lid. Deze kozen als bestuur de heren P. Sinnema, K.D. de Boer en M.F. Visser.

In dezelfde vergadering werden al enige punten besproken o.a. de reinigingsdienst en het plaatsen van lichtpunten (lantaarns). De contributie bedroeg f 0,25.

 

In de beginjaren was het beheer van de regenwaterbak één van de dingen die dorpsbelangen moest regelen in opdracht van de gemeente. Men begon hiermee op 19 mei 1927. Toen werd er een bak van 10.000 liter geplaatst en aangesloten. In de beginjaren kon men er 1 uur per dag terecht. Water kostte een  ½  ct per emmer, de uitgever (bediener) kreeg voor zijn moeite 1 ct per emmer loon, terwijl de gemeente per emmer nog een ½ ct beurde. Uitgifte van water stopte als het hoofd der school de stand in de regenwaterbak te laag vond. Dit duurde tot 1951.

 

Ook werd er in de beginjaren net zoals tegenwoordig veel aandacht aan wegen , riolering (waarmee met de aanleg werd begonnen op 10 april 1954, kosten f 1.840,- voor 200 meter riolering met alles erop en eraan) lantarens e.d. besteed. Een en ander resulteerde vaak in slepende zaken.

In 1930 werd er gesproken over een openbare telefoon in Molenend. Dit resulteerde in een telefoon-telegraafstation, dat op 18 augustus officieel werd geopend . Het was gevestigd in de schuur bij het café van de heer B. de Vries.

 

In 1941 trad Roodkerk toe tot de vereniging,  zodat vanaf toen de naam “Vereniging voor Dorpsbelang­en Molenend/Roodkerk” werd gevoerd.

Dat het leven een golfbeweging is en de spreuk, alles komt eens terug, nog steeds opgeld doet blijkt wel uit de notulen die door de jaren heen zijn bijgehouden door de diverse secretarissen van de vereniging.

De punten die met de regelmaat van de klok terugkomen zijn de openbare verlichting, sneeuwruimen  (vooral het gebrek hieraan), wateroverlast  (zowel op de weg als de slechte afvoer van diverse sloten ), vervuiling van sloten en de haven, gevaarlijke wegen en onoverzichtelijke hoeken, autobusdienst naar Leeuwarden en visa versa.

 

Verder heeft de vereniging zich gedurende al die jaren bezig gehouden met huizenbouw, en dan vooral met de uitbreidingen van het dorp, groenvoorziening in en rond het dorp. Kortom al die zaken waarbij het dorp een vertegenwoordiging behoeft naar de diverse overheden.

 

 terug naar boven

 

 

Theodorus Marius Theresius Van Welderen Baron Rengers

 

 Geboren te Leeuwarden op 9 januari van het jaar 1867, bracht hij zijn jeugdjaren voor een groot deel door op Stania State te Oenkerk. Daar maakte hij ook voor het eerst kennis met de noden en behoeften van het volk.

In 1895 werd hij eigenaar en bewoner van Heemstra State en daar heeft deze nobele edelman van de oude stempel bergen werk verzet en het kwam maar sporadisch voor, dat het licht in de werkkamer van de baron voor 1 uur ’s nachts uitging. Talloos vele commissies, verenigingen en instellingen hadden hun ontstaan aan zijn initiatief te danken. Als weinig anderen kende hij zijn provincie, zijn dorp en haar inwoners. Ook had hij een on­voorstelbaar grote kennis van de politieke verhoudingen in vrijwel geheel Europa.

Hij zocht en vond de wegen waarlangs Friesland zich aan de gevolgen van de grote landbouwcrisis van de tachtiger jaren wist te ontworstelen.

Hij ijverde krachtig voor de versterking van de Coöperatieve zuivelindustrie, waarbij de stichting van het Landbouwhuis in Leeuwarden in 1904 grotendeels zijn werk was.

De zuivelindustrie had zijn bijzondere belangstelling en hij heeft alles gedaan om te komen tot een coöperatie. Dat was in de tijd, dat er nog tal van particuliere boterfabriekjes bestonden, waar nogal eens kwalijke

praktijken met de boterbereiding werden bedreven, wat voor de Baron een sterk punt was om de boeren te winnen voor het denkbeeld om gezamenlijk te komen tot een coöperatie en gezamenlijk de bouw van een zuivelfabriek te ondernemen.

De boeren die vreemd tegenover de coöperatie stonden, en dat waren er nogal wat, werden door Baron Rengers persoonlijk bezocht. De meesten werden door hem overtuigd, zodat in 1896 te Giekerk de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek ”Trynwâlden en Omstreken” tot stand  kwam.

Baron Rengers,  die de statuten voor de nieuw opgerichte coöperatie en de instructie voor de beheerder ontwierp, werd benoemd tot lid van het college van commissarissen.

Ook was het Baron Rengers die de stichting van een coöperatieve Voorschot en Spaarbank te Oenkerk bevorderde.

De stichting van de Coöperatieve Condensfabriek”Friesland” in augustus 1913, waar 42 zuivelfabrieken toetraden, was voor een groot deel het werk van de Baron, waarvoor hij uit waardering tot voorzitter werd gekozen.

Ook de oprichting van de Friesche Coöperatieve Exportslachterij te Akkrum en de vlasfabrieken te Molenend en Noordbergum waren het werk van de Baron.

 

Gedurende dertig jaar was hij lid van Provinciale Staten van Friesland en een aantal jaren gedeputeerde. Voorts was hij lid van de Eerste Kamer en beijverde hij zich voor drooglegging van de Zuiderzee. Hij was ook de drijfveer van een benoeming van een Fries landbouwconsulent te Londen. Ook bevorderde hij de ruilverkaveling te Ameland en grote delen van Friesland.

Hij steunde 220 verenigingen en instellingen.

Zijn vertrouwen in Friesland verleidde hem soms tot een optimisme dat naderhand te groot bleek te zijn. Dan aarzelde hij niet om de schade voor zijn rekening te nemen.

Door het debâcle in het vlas in 1929 verloor hij al zijn vermogen, en moest hij Heemstra State verkopen waar een bejaardenhuis in werd gevestigd.

Baron Rengers heeft het nooit geweten, dat onder zijn vroegere medewerkers de vraag werd overwogen, wat men zou kunnen doen om hem voor Friesland te behouden. Het denkbeeld om Heemstra State aan te kopen en het de oude eigenaar als geschenk aan te bieden, ging niet door, omdat men er terecht  aan twijfelde of Rengers dit zou aanvaarden. Wel werd hem een album aangeboden en een bedrag van ƒ 25.566.66 werd bijeengebracht voor het door hem te stichten Th. Van Welderen Rengersfonds. In mei 1931 kreeg het de volgende bestemming: het bevorderen van de volkswelvaart in de meest uitgebreide zin, bijvoorkeur onderzoek naar factoren, die de welvaart van het gewest kunnen beheersen en van de middelen die haar blijvend kunnen bevorderen. Hij vestigde zich te Wassenaar, waar hij speciale raadgever van de Koningin werd.

In 1943 keerde de Baron als evacue terug naar Friesland. Hij stierf na een korte ziekte op 15 juli 1945. Hij werd ter ruste gelegd op het kerkhof te Oenkerk, waar ter ere van deze man in de oostelijke muur van de kerk een bronzen borstbeeld is aangebracht, met daarin gebeiteld zijn geboorte-en sterfjaar 1867-1945 en met het opschrift:

                       “Voor dorp, gewest en land gaf hij zijn ganse kracht,

                         Bewaren wij getrouw wat hij tot stand heeft gebracht” .

Ook het bestuur van Leeuwarden heeft Baron Rengers willen eren voor het vele belangrijke werk wat hij heeft gedaan.

In de Westerplantage nabij de Vrouwenpoortsbrug werd een bronzen borstbeeld ter zijner ere geplaatst.

 Evenals dit borstbeeld en dat in de muur van de kerk te Oenkerk, houdt de Rengersweg in Oenkerk de herinnering aan deze edele Fries levendig.

terug naar boven

 

 

 Het bewerken van het vlas

 

Bij het bewerken van het vlas onderscheidt men de volgende werkmethoden.

 

Het oogsten

In tegenstelling tot de meeste landbouwgewassen  gebeurt dit niet door maaien, maar door trekken. Dit doet men om de stelen intact te houden, zodat de vezel niet beschadigd wordt.

 

Repelen.

Dit gebeurt met een repelbank, een werktuig dat bestaat uit een zware bank met in het midden daarop bevestigd een vork van verticale scherpe ijzeren tanden. Twee mannen zitten tegenover elkaar aan weerszijden van de vork, nemen ieder een handvol vlasstengels en trekken om beurten de knopeinden daarvan met een zwaaiende beweging tussen de tanden van de vork door, waardoor de knoppen afvallen. De zaadknoppen worden vervolgens met behulp van een knopbreker verbrijzeld. Het zaad wordt tot lijnolie geperst, het schroot, dat als restant bij de bereiding van de lijnolie overblijft is een geliefd veevoer. Vroeger werd lijnolie veel gebruikt in lijnmeelkoeken (veevoeder)en verf, voor minder milieu­belasting wordt dit tegenwoordig weer veel meer gebruikt.

Het beeldje op de hoek bij de klok in Mûnein houdt de herinnering aan de Flaaksrûpelders levendig.

Tegenwoordig wordt het trekken en het repelen in een gecombineerde werkgang op het land gedaan door een repeltrekmachine.

 

Roten.

De vezels van vlas waaruit later de garens worden gemaakt, zitten aan de houtpijp vast met een lijm-achtige stof die pectine wordt genoemd. Om bij het verdere verwerken de buitenste draden  van de houtachtige kern van de vlasstengel te doen loslaten laat men het vlas roten (rotten).

Dit kan op twee manieren: dauw- en drijfroten. Voor het drijfroten zocht men vroeger een geschikte sloot met stromend water, waarin de bundels vlas werden ondergedompeld. In Mûnein werd eerst alleen het roten in de sloot toegepast, waartoe een vaart gegraven werd tussen de fabriek en de toenmalige Zwarte Broek. De vaart had een lengte van 120 meter, een breedte van 11 en een diepte van 2 meter. Op elk uiteinde stond een pomp voor de verversing van het water, wat het roten zeer ten goede kwam. In grote houten bakken (50 stuks) werd het vlas in de vaart ondergedompeld, deze bakken waren voorzien van grote openingen in de zijkant, zodat het water vrijelijk binnen kon dringen. Al in 1900 werden in de loods naast de fabriek grote betonnen bakken gebouwd, waarin men het z.g. warmwaterroten toepaste. Dit proces kon in vier dagen worden afgerond bij een temp. van 36°C. Nadeel was de beperkte capaci­teit, waardoor nog veel buiten werd geroot bij hoge buitentemperaturen, ook werd in het meertje de Zwarte Broek nog veel geroot.

Het systeem van dauwroten, waarbij het vlas over het veld wordt verspreid en daar enkele weken in zon, regen en dauw blijft liggen is nu nog de enigste toegepaste methode.

 

Drogen.

Belangrijk is bij de verdere verwerking dat het vlas goed droog is. Dit gebeurde eerst buiten op het weiland. Daartoe werd het vlas opgezet in z.g. kapellen. Later gebeurde het drogen in speciale loodsen, de droogschuren. Het binnenste, houtachtige deel van de plant is nu zo bros, dat het versplintert als men de stengel knakt.

 

Braken.

De breker legt met een hand de droge stengels op het werktuig. Met kracht wordt het bovenstuk naar beneden geslagen. Daardoor breken de houtachtige delen van de plant tussen het aangescherpte hout van het breekapparaat. De handvol vlas wordt doorgeschoven tot de  stengel in de gehele lengte gebroken is. Het apparaat wordt ook wel braak genoemd. Als iemand de mond wijd openspert, dan zegt men in overdrachtelijke zin: hij trekt de “braak” open. In de fabriek werden een tiental zware houten rollen boven elkaar, met in het lang ijzeren ribben erop, gebruikt, die zich vijf aan vijf bewegen als een soort mangel. Aan het houten onderstel, waarin de rollen zijn geplaatst, bevindt zich een tafelblad vlak voor het eerste paar rollen, waarop het vlas werd gelegd en  zo tussen de rollen werd geschoven, daardoor werd het harde houtachtig gedeelte in kleine stukjes gebroken.

 

Zwingelen.

De houten deeltjes, die in de vezels blijven hangen, worden eruit gehaald. Men gebruikte hiervoor een rechtopstaande plank met een gleuf erin. Een houten zwaard of een schoepenwiel gaat met flinke kracht vlak langs de rand van de plank. Daarbij vallen de houtdeeltjes op de grond, deze worden scheven genoemd. In de fabriek ging dit d.m.v. een zwingel- molen, een wiel dat zeer licht was en waarop 12 plankjes vastgemaakt waren. Deze zwingelmolens ook wel “Iersche molens” genoemd stonden opgesteld in twee rijen, een van 15 en een van 16 molens, elke molen was verbonden aan een van de beide assen, die werden  aangedreven door de stoommachine. Bij elke molen stond loodrecht een beuken plank waarin een gleuf was gemaakt, waardoor het vlas geschoven en getrokken werd. De plankjes sloegen dan de scheven uit het vlas. De beuken planken konden zo afgesteld worden dat bij de ene as het ruwe vlas gezwingeld werd, terwijl bij de andere as het schoon zwingelen plaatsvond.

 

Opmaken

Bij het opmaken wordt het vlas over een scherpe kant gewreven. Hierbij laten de kleinste houtsplinters los. Daarna wordt met een stomp ribmes over de vezels gestreken.

Daardoor wordt het vlas buigzaam en is klaar voor het hekelen, in de fabriek kwam het in een slijpmachine.

 

Hekelen.

Het werk begint met een grove hekel,  al naar gelang de gewenste fijnheid van de vezels volgen fijnere hekels.

Daarna ging het in de fabriek naar de vlaskamer, achter de machinistenwoning, alwaar het fraai opgemaakte vlas in bosjes van 6 pond en 2 ons werd gebonden, waarna het in grote balen werd verzameld in de kelder of, als er een leverantie klaargemaakt werd, direct verzameld in een van de loodsen.

Meestal ging het vlaslinnen, wat het dus inmiddels geworden was naar Rotterdam, naar de fa. de Groot van Es, of naar Leeuwarden in de beroemde pakhuizen aan ‘t Vliet.

De hele machinerie werd aangedreven door een stoommachine van 10 pk. van Stork uit Hengelo, die gestookt werd met scheven. Later gebeurde dit met autobanden, omdat de scheven verkocht werden naar Groningen en Leeuwarden om te dienen als grondstof voor plafondplaten. Een verbetering voor de machinist maar niet voor de inwoners van Molenend, die bij bepaalde winden de hele smurrie over zich heen kregen. Op de stoommachine zat een teller voor de registratie van het aantal gewerkte uren, onderbrekingen etc. (te vergelijken met een tachograaf). Deze machine kon d.m.v. grote riemen alle machines zowel gelijkertijd als afzonderlijk aandrijven. Later toen de fabriek steeds meer gemechani­seerd werd, kon hij de kar niet meer trekken en werd gekozen voor een zwaardere dieselmotor. De stoommachine werd toen allen nog maar gestookt om de bakken voor de warmwaterroterij op te warmen.

Er werd in Molenend een 70 á 80 ha vlas per jaar verwerkt.

Er werkten ooit maximaal 80 mensen, in de vijftiger jaren vonden er nog ongeveer 50 mensen werk. De jongeren begonnen met 18 cent per uur, tot men door gestaag opklimmen op 26-jarige leeftijd het volle loon kon verdienen, ongeveer 28 cent per uur. Dit gold alleen voor ongeschoold personeel, geschoold personeel werd beter betaald, dat bovendien een toeslag had per 50 kg. boven de normale weekproductie, zodat het soms voorkwam dat er 100 uren en meer werden gemaakt.

 

terug naar boven